Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Johannes 14, waaruit we vanmorgen een stuk hebben gelezen, is een troostrede van Jezus. Deze toespraak van Jezus begint eigenlijk al in hoofdstuk 13. We bevinden ons daar in de bovenzaal ergens in Jeruzalem waar Jezus en zijn leerlingen het pesachmaal houden. Jezus heeft de voeten van de leerlingen gewassen, en Judas is zojuist vertrokken om zijn verradersrol te gaan vervullen. Dan begint Jezus te praten. Hij zegt dat Hij niet lang meer bij zijn leerlingen zal zijn. Zijn taak op aarde zit er bijna op. Hij moet nu naar de Vader gaan om af te maken wat Hij lang geleden begonnen is.
De leerlingen worden bang: wat moeten zij zonder Jezus beginnen? Kunnen ze Hem niet volgen naar waar Hij heengaat? “Nee,” zegt Jezus, “dat kan niet.” Maar dan wil Hij toch de pijn van het naderende afscheid wegnemen. Hij zal de leerlingen niet eenzaam en alleen achterlaten: Hij zal de heilige Geest zenden als helper. Lichamelijk zullen ze Jezus niet meer zien, maar in de Geest zal Hij steeds bij hen blijven.
Maar dat is niet de enige troost die Jezus biedt. Hij zegt ook dat Hij terug zal komen, en dán, als de tijd daar rijp voor is, dán mogen ze Hem volgen. Dan zal Jezus zijn leerlingen met zich meenemen. Dan zullen ze zijn waar Jezus is. “Jullie kennen de weg naar waar ik heen ga,” zegt Jezus dan ten slotte. Maar Tomas, een van de leerlingen, vraagt aan Jezus: “Wij weten niet eens waar u naartoe gaat, Heer, hoe zouden we dan de weg daarheen kunnen weten?” En Jezus geeft Tomas dan als antwoord: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.”
Onze vraag van vanmorgen is: hoe moeten we dat antwoord van Jezus verstaan? “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.” Wat betekent dat? Ik ben is nog wel duidelijk. Daarin klinkt de echo door van Exodus 3. “Ik ben die er zijn zal,” zegt God daar in antwoord op de vraag van Mozes wie de God is die hem naar de Israëlieten stuurt. “Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: ‘ik zal er zijn heeft mij naar u toe gestuurd.’”
Nu, eeuwen later, zegt ook Jezus tegen zijn leerlingen: “Ik ben. Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.” Ik ben de weg: dé weg, er is geen andere weg naar God. Ik ben de waarheid: dé waarheid, er is geen andere waarheid dan de waarheid die Jezus verkondigt. Ik ben het leven: hét leven, het ware leven, het eeuwige leven zoals God dat bedoeld heeft, dat op geen enkele andere manier bereikt kan worden dan door het geloof in Jezus Christus. En om dat nóg duidelijker te maken zegt Jezus daarop: “Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.” Met andere woorden: je moet in Jezus Christus geloven, je moet zijn volgeling worden, om gered te worden uit de poel van duisternis die ons leven is en die ons leven zijn zal na onze dood. Als je daaruit gered wilt worden, dan zul je een ware christen moeten worden. Zo is het eeuwenlang verkondigd en zo is het ook bedoeld door Jezus.
Of toch niet?
Het evangelie van Jezus is eeuwenlang op die manier verkondigd, maar dat wil nog niet zeggen dat onze voorouders het bij het rechte eind hadden. Je kan het ze ook niet kwalijk nemen, want ze wisten niet anders dan dat het christendom de enige godsdienst was. Maar een jaar of dertig, veertig geleden begon daar verandering in te komen. Die andere religies, het hindoeïsme, het boeddhisme en de islam, waren verre en vreemde religies van verre en vreemde volken, maar in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw begonnen die verre en vreemde volken hierheen te komen. En ze brachten hun godsdienst met zich mee. Ineens was het christendom niet meer de enige godsdienst. Ineens kon je niet alleen meer kiezen tussen Jezus volgen of niet, maar kon je bijvoorbeeld ook volgeling worden van Boeddha of Mohammed. Maar hoe zit het dan met de uitspraak van Jezus dat Hij de weg, de waarheid en het leven is? Is het hindoeïsme soms ook een mogelijke weg? Zit er soms ook waarheid in de leer van Boeddha? Leidt het volgen van Mohammed soms ook tot het eeuwige leven bij God? Sterker nog: zijn de christelijke God ik zal er zijn en de islamitische God Allah soms één en dezelfde?
Nu weet ik niet hoe u tegen de islam aankijkt, maar mijn beeld van moslims wordt altijd sterk ingekleurd door alle negatieve dingen van die godsdienst. Al die negatieve dingen die ons bereiken via de televisie. Moslims zijn mensen die met bomgordels om hun lijf op druk bezochte markten gaan staan en dan aan een of ander koordje trekken om de hele santenkraam op te blazen. Moslims vliegen met complete lijnvliegtuigen allerlei wolkenkrabbers binnen. Islamitische vrouwen krijsen op televisie altijd zó luid dat je die opstijgende Boeing 747 op de voorgrond niet eens meer hóórt. En hun mannen schreeuwen altijd in een taal die klinkt alsof ze tegelijkertijd een onsje kiezelstenen proberen door te slikken. Om nog maar te zwijgen over die Marokkaanse rotjochies in onze grote steden.
Al dit soort dingen kleuren mijn beeld van de islam sterk negatief in. Maar is dat wel terecht? Een paar maanden geleden bezocht ik met de jongeren van de jeugdcatechisatie en enkele anderen een moskee in Groningen. We hadden dat bezoek georganiseerd omdat zij graag meer wilden weten van de islam. We werden daar in de moskee ontvangen door een jongeman van een jaar of vijfentwintig. Hij heette niet zo, maar laten we hem Achmed noemen. Achmed sprak Algemeen Beschaafd Nederlands, droeg geen soepjurk, maar gewone kleren en heette ons op een vriendelijke manier welkom. Hij vertelde dingen over de moskee, een verbouwde boerderij, en liet ons zien hoe een dienst op vrijdagavond in de moskee in zijn werk gaat.
En we raakten aan de praat over de islam en over het christendom, over de verschillen tussen moslims en christenen en over fundamentalisme. En we kwamen erachter dat de verschillen tussen ons eigenlijk helemaal niet zo groot waren. Achmed was pas getrouwd en hij en zijn vrouw wilden graag kinderen krijgen. Huisje, boompje, beestje, dus. Niet zo heel erg verschillend van wat wij van het leven willen. En ook Achmed vond fundamentalistische moslims maar niets. Hij zei zelfs: “Dat zijn geen echte moslims. In de islam is het leven heilig, en het doden van mensen keuren wij helemaal niet goed.”
Natuurlijk kwamen ook de verschillen tussen het christendom en de islam ter sprake. Voor hen is Jezus Christus een profeet tussen de vele, terwijl Hij voor ons de Verlosser van mensen is. Zij gaan op vrijdagavond naar de moskee, wij gaan op zondagmorgen naar de kerk. Maar de overeenkomsten zijn weer sterker dan de verschillen. Zowel christenen als moslims geloven dat God ons geschapen en gewild heeft. Wij geloven allemaal dat God met ons meegaat op onze weg door het leven. En wij geloven ook dat God ons na dit leven bij zich zal halen en dat wij dan voor altijd bij God mogen wonen. De conclusie was eigenlijk dat wij allemaal mensen zijn die zo goed mogelijk proberen te leven zoals God bedoelt: te houden van onze medemensen en te houden van God.
Maar wat moeten we dan met die uitspraak van Jezus: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.” Als die uitspraak echt alleen voor christenen geldt, dan gaat Achmed verloren. Dan dénkt hij wel dat hij leeft zoals God het bedoelt, maar dan dóét hij het niet. Dan is de islam één groot verzinsel.
Dus denk ik niet dat Jezus het zo bedoelde. Ik denk dat zijn uitspraak helemaal waar is, maar dat onze uitleg van zijn uitspraak altijd verkeerd is geweest. Volgens mij heeft Jezus het zó bedoeld: er is een spreekwoord dat zegt: “Vele wegen leiden naar Rome.” Maar een van die wegen is de beste weg. Daar staan richtingaanwijzers die de goede kant op wijzen. Daar zijn pleisterplaatsen om te rusten en wat te eten. Daar zijn herbergen om te overnachten.
Dus als Jezus zegt: “Ik ben de weg,” dan bedoelt Hij: er zijn meer wegen, maar Ik ben de beste weg, de meest zekere weg, kortom: dé weg naar de Vader. Als Jezus zegt: “Ik ben de waarheid,” dan bedoelt Hij: ieder mens heeft zijn eigen waarheid, maar mijn waarheid is de échte waarheid, de meest zekere waarheid. Als Jezus zegt: “Ik ben het leven,” dan bedoelt Hij: ieder mens leeft zijn leven op zijn eigen manier, maar als je je leven leeft op míjn manier, dan weet je zeker dat je leven niet ophoudt met je dood, maar dat je daarna verder mag leven bij God. En als Jezus ten slotte zegt: “Niemand kan bij de Vader komen dan door mij,” dan bedoelt Hij dat zijn redding van de mensen door zijn dood en door zijn opstanding niet alleen geldt voor christenen, maar ook voor andere mensen, of ze nou in Jezus geloven of niet.
Vele wegen leiden naar Rome, en al die andere wegen komen uiteindelijk ook in Rome uit. Die wegen zijn misschien minder waar, die wegen bieden misschien niet het echte leven, maar ze komen wel degelijk uit in Rome. Zei Jezus immers niet: “In het huis van mijn Vader zijn veel kamers.”? Het goede nieuws voor ons is dat wij zeker weten dat er voor ons een kamer is gereserveerd. Maar volgens mij geldt het goede nieuws ook voor Achmed: als hij moe en bezweet aan het einde van zijn moeizame weg komt, dan staat er voor hem ook een kamer klaar.
Amen.