Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Wat is het hart van het christelijk geloof? Wat is de kern waaromheen alles draait? Wat is het allerbelangrijkste? Als je dat aan verschillende mensen vraagt, dan krijg je minstens zoveel verschillende antwoorden. De een zal bijvoorbeeld zeggen: “Het belangrijkste van het geloof is dat Jezus Christus aan het kruis is gestorven voor onze zonden.” Maar voor een ander is het het belangrijkste dat God van mensen houdt en dat Hij hen nooit in de steek zal laten. Weer een ander vindt weer wat anders. Die zal zeggen: “Het gaat erom dat je doet wat God in zijn Woord, de Bijbel, van je vraagt.”
“Zoveel mensen, zoveel kerken,” luidt het spreekwoord. Zoveel meningen ook. En mensen hebben elkaar om die meningen eeuwenlang verketterd - en nog steeds doen ze dat. Ik las van de week ergens over een theoloog die een boek had geschreven over een of ander theologisch onderwerp. De kerkenraad van zijn eigen kerk was het niet eens met de inhoud en sloot hem uit van het avondmaal. Ik vind dat verschrikkelijk. Want ik denk dat het goed is dat ieder het geloof op zijn of haar eigen wijze beleeft.
Toch denk ik dat er, ondanks al die verschillende meningen, wel een soort van grootste gemeenschappelijke deler bestaat. Iets waarover iedereen het eens is. En dat is dat er na de dood een ander leven volgt. Of, om het nog eenvoudiger te zeggen: na je dood ga je naar de hemel. Eigenlijk hebben we het daar niet zo vaak over in de kerk, want het is een teer onderwerp. Want zodra je zegt: “Na je dood ga je naar de hemel,” komen er direct allerlei vragen naar boven. Gaat iederéén na zijn dood naar de hemel of kom je daar alleen als je in Jezus hebt geloofd? Komen andere mensen dan in de hel terecht? Bestaat er eigenlijk zoiets als een hel?
Dat zijn geen gemakkelijke vragen. En laat ik er meteen maar even bij zeggen dat er ook geen gemakkelijke antwoorden op zijn. Laten we eerst eens kijken wat de bijbelteksten die we vanmorgen gelezen hebben erover zeggen. Het boek Daniël zegt dat er een tijd van verdrukking zal komen, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan. “In die tijd,” gaat Daniël verder, “zal je volk worden gered: allen die in het boek zijn opgetekend. Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd.”
Duidelijke taal, zou je zeggen, maar ook taal met een zwart randje: sommigen zullen ontwaken om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd. Wat moeten we met zo'n afschuwelijk beeld? Lopen wij ook het risico om eeuwig te worden veracht en verafschuwd? En zo niet wij, hoe zit het dan met onze ouders of kinderen of anderen die we liefhebben? Kom je als je niet gelooft in Jezus Christus voor eeuwig in die toestand van verachting en verafschuwing? Met andere woorden: kom je dan in de hel?
Wat zegt Paulus daarover in zijn eerste brief aan de Tessalonicenzen? “Gods bedoeling met ons,” zo schrijft hij, “is niet dat wij veroordeeld worden, maar dat wij gered worden door onze Heer Jezus Christus. Hij is voor ons gestorven opdat wij, of we nu op aarde zijn of gestorven zijn, samen met hem zullen leven.”
Ook duidelijke taal, nu een stuk positiever. “Jezus is voor óns gestorven opdat wij, of we nu op aarde zijn of gestorven zijn, samen met hem zullen leven.” De vraag is natuurlijk wie die “ons” zijn. Volgens Paulus zijn dat de christenen, de mensen die in Jezus geloven. Hij herhaalt daarmee wat Jezus al gezegd had: “Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”
De conclusie moet dus luiden: als je in Jezus gelooft, dan kom je na je dood zeker in de hemel. Dat is een troost voor alle gelovigen. Als je gelooft, dan mag je na je dood bij God zijn; dan volgt er een beter leven - een leven zonder pijn en verdriet, maar alleen met vreugde. Hoe dat leven er precies uitziet is niet bekend, maar dat het een goed leven is, is zeker. Het is ook een troost voor de mensen die achterblijven: te weten dat de mens die je hebt liefgehad nu in de hand van God is.
Maar is een omgekeerde gevolgtrekking dan ook automatisch waar? Als je gelooft, dan kom je zeker in de hemel, maar als je niet geloofd hebt in Jezus, is het dan zeker dat je níét in de hemel komt? Dat je voor eeuwig wordt veracht en verafschuwd? Zo eenvoudig is het niet. Alle raven zijn zwarte vogels, maar het omgekeerde daarvan is niet automatisch óók waar: niet alle zwarte vogels zijn raven. Er bestaan zwarte vogels die geen raven zijn. Kraaien, bijvoorbeeld, zijn ook zwarte vogels.
Maar er zijn mensen die met grote stelligheid durven beweren dat iedereen die niet in Jezus gelooft niet naar de hemel gaat na zijn of haar dood. Ik durf dat niet. Ik denk dat als je met zo veel stelligheid beweert dat je weet wie wel of niet naar de hemel gaat, je eigenlijk op de stoel van God gaat zitten. Dat jij als het ware gaat bepalen wie met Jezus in het paradijs zal zijn en wie niet. Dus ik zal dat niet doen. Maar dat betekent dat ik u geen antwoord kan geven op de vraag “Ga je naar de hemel als je niet in Jezus gelooft?” Maar ik wil er wel wat opmerkingen over maken.
Ten eerste: in de Bijbel wordt veelvuldig gesproken over het einde der tijden, de tijd dat Jezus terugkomt op de aarde en, zoals in de geloofsbelijdenis staat, zal “oordelen de levenden en de doden”. Meestal gebeurt dat in de vorm van visioenen en dromen. De stukken uit Daniël en de eerste brief aan de Tessalonicenzen hebben die vorm, maar ook in de evangeliën staan dergelijke visioenen en de Openbaring van Johannes is één groot visioen. Het zijn als het ware dromen van betere tijden. Iets om naar vooruit te zien om je te steunen en te troosten als je het moeilijk hebt in je leven.
Maar die dromen zijn moeilijk te duiden. Je kunt niet eenvoudig zeggen: “Het zit zus en zo in elkaar, want Johannes heeft dat in zijn Openbaring opgeschreven.” Want dergelijke visioenen zijn gewone menselijke dromen van betere tijden. Is het dan zo gek om onze eigen menselijke dromen náást die visioenen van de Bijbel te leggen, ook al stemmen ze daar op het eerste gezicht niet mee overeen? Ik denk het niet: de visioenen in de Bijbel zeggen mij dat ik mijn eigen dromen mag hebben. Dromen over hoe het zal zijn om in de hemel te zijn. Dromen dat ik bij God mag zijn. Dromen over leven in het paradijs. Mogen andere mensen dan niet hun eigen dromen hebben?
Ten tweede: naast het kruis van Jezus stonden twee andere kruisen. Twee misdadigers werden tegelijkertijd met Jezus gekruisigd. Een van de twee zei tegen Jezus: “Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.” En Jezus antwoordde hem: “Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.” Het kwam dus goed met deze misdadiger.
Maar nu die andere. Hij geloofde niet in Jezus. Maar nu vraag ik me af: na zijn dood komt ook deze misdadiger voor de troon van God. En daar zit ook Jezus aan de rechterhand van God. Zal die misdadiger dan nog steeds ongelovig blijven? Of zal hij onder de indruk raken van de macht van God en de heerlijkheid van Jezus? Zal hij niet toch nog gaan geloven? Ik denk het wel - hij kan niet anders nu hij het met eigen ogen aanschouwt. Hij zal tegen Jezus zeggen: “Heer, ik geloof in U.” Zal God dan werkelijk tegen hem zeggen: “Nee makker, dat had je twee seconden geleden moeten zeggen, voordat je je laatste adem uitblies. Dan had je in mijn hemel mogen wonen, nu ga je naar de hel.” Ik heb er een verschrikkelijke moeite mee om dit te geloven.
Ten derde: ik geloof in God. Als ik de schoonheid van de schepping zie en de goedheid die er in mensen is, dan kan ik niet anders. Maar ik geloof ook in de duivel. Ik zie dagelijks het kwaad in de wereld, ver weg en dichtbij. De duivel is de verpersoonlijking van dat kwaad. Dat doet niets af aan de eigen verantwoordelijkheid van mensen, maar de duivel is een reële kwade macht. De visioenen in de Bijbel vertellen ons dat er een strijd is tussen God en de duivel. Een strijd van het goede tegen het kwade. En eenmaal zal die strijd beslissend worden gewonnen door God. Het goede overwint het kwade en bant dat volledig uit. Er zal geen kwaad meer zijn. Het Koninkrijk van God is dan overal, tot in alle uithoeken van de hemel en de aarde. Hoe valt dat te rijmen met het bestaan van zoiets als een hel. Het bestaan van een hel zou betekenen dat het kwaad niet helemaal overwonnen is. Dat er nog kwaad en slechtheid overblijft. Sterker nog: dat er in de hemel mensen zijn die verdriet hebben over hun geliefden in de hel. Volgens mij is dat onbestaanbaar.
Ten slotte: uiteindelijk gaat het om onze beslissing voor of tegen Jezus. Ik denk dat God de verantwoordelijkheid van onze beslissing serieus neemt, maar nog meer de verantwoordelijkheid van zijn liefde voor ons. Het “ja” van God, zijn liefde voor de mensen, is groter dan het “nee” van mensen die Hem afwijzen. Dat blijkt keer op keer in de Bijbel en dan mogen we er op vertrouwen dat dat na de dood ook zo zal zijn. Ik zeg erbij: “Dit is wat ik denk, de beslissing is aan God.”
Amen.