Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Maagden en olie: daar gaan we het vanmorgen over hebben. Eerst de maagden, want dat moet me even van het hart. Bovendien is het de Bijbel10daagse; heeft u afgelopen vrijdag nog meegedaan aan De Nationale Bijbeltest? Nathalie las vanmorgen met ons over tien meisjes met hun olielampen. Meisjes? Waren dat vroeger geen maagden? In onze consistorie hangt een borduurwerk van een van onze gemeenteleden. Er staan allerlei bijbelse taferelen op. En een van die tafereeltjes beeldt vijf meisjes met brandende olielampen uit. Eronder staat: “De vijf wijze maagden”. Het klopt dus dat die meisjes vroeger maagden waren.
Is dat nu zo belangrijk of er meisje of maagd staat? Maakt dat wat uit? In deze gelijkenis misschien niet, maar ergens anders wel. Van een van onze kosters hoorde ik dat de man die de nieuwe geluidsinstallatie heeft geleverd De Nieuwe Bijbelvertaling niet goed vond. “Want,” zo zei hij, “vroeger stond er in het bijbelboek Jesaja: ‘Ziet, een máágd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam Immanuël heten.’ Maar in De Nieuwe Bijbelvertaling staat: ‘De jonge vróúw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuël noemen.’” Die man van de geluidsinstallatie vond het maar niets dat Maria geen maagd genoemd werd, maar jonge vrouw. Dat was voor hem een reden om De Nieuwe Bijbelvertaling maar aan de kant te gooien. Dát soort verhalen hoor ik meer. En dat gaat mij aan het hart. Laat ik nu eens de geluidsinstallatie van die man gebruiken om dit tegen te spreken!
Want ik heb het er even op nageslagen. Zowel de Statenvertaling als de NBG-vertaling van 1951 heeft het over maagden. Vijf wijze maagden, vijf dwaze maagden en één maagd die zwanger zal worden. Maar waarom zijn al die maagden in De Nieuwe Bijbelvertaling dan nu ineens ont-maagd? Er zit niets anders op dan te gaan kijken wat er in de grondtekst van de Bijbel staat. In het Hebreeuws staat daar het woord ‘almah. In het Grieks staat er parthenos.
Maar wat betekenen die woorden? Het Hebreeuwse woord ‘almah betekent gewoon jonge vrouw. Dat kan een huwbaar meisje zijn, of een getrouwde vrouw tot aan de geboorte van haar eerste kind. Deze jonge vrouw kan een maagd zijn, maar dat hoeft niet per se. De vertalers van De Nieuwe Bijbelvertaling hebben het woord ‘almah van Jesaja dus goed vertaald: “De jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuël noemen.”
Maar u kent deze tekst vast ook wel van het kerstevangelie van Matteüs. Matteüs citeert inderdaad Jesaja. Maar dan in het Grieks. En dan gebruikt hij het woord parthenos. Het Griekse woord parthenos betekent meisje. Maar het kan ook maagd betekenen. Hoe vertaal je dan parthenos weer in het Nederlands? Met meisje of met maagd? Matteüs vertelt erbij dat Jozef geen gemeenschap met Maria had voordat Jezus geboren werd. Dus is het logisch om parthenos met maagd te vertalen. Maar in onze gelijkenis van vanmorgen doet het er helemaal niet toe of die vijf dwaze meisjes en die vijf wijze meisjes maagd zijn of niet. En daarom hebben de vertalers van De Nieuwe Bijbelvertaling het woord parthenos hier met meisje vertaald.
Tot zover de maagden. Het is een beetje een technische kwestie, maar het moest me even van het hart, want de vertalers van De Nieuwe Bijbelvertaling hebben wel degelijk vertaald wat er staat!
Maar nu de olie. De gelijkenis van de vijf wijze en de vijf dwaze meisjes is een van de gelijkenissen die Jezus aan zijn leerlingen vertelt over zijn terugkomst aan het einde van de tijd. Het is een waarschuwing: let op dat je olie bij je hebt als de bruidegom er eenmaal is, want anders kom je nog te laat voor het bruiloftsfeest. Dan zal de bruidegom zeggen: “Ik ken jou werkelijk niet.” De bruidegom is hier natuurlijk Jezus en het bruiloftsfeest is een hemels feest. “Wees dus waakzaam,” zegt Jezus, “want jullie weten niet op welke dag en op welk tijdstip hij - de bruidegom - komt.”
Dat kan dus elk moment gebeuren. Als je gelooft in de opstanding van Jezus, dan geloof je ook in zijn terugkomst. Dat is in tweeduizend jaar niet voorgekomen, maar eenmaal gebeurt het. Dat kan net zo goed vandaag of morgen zijn. Bovendien, en dat klinkt misschien hard, maar het is de realiteit: vandaag of morgen kan er ook een eind aan je leven komen. Zorg er dan voor dat je olie bij je hebt. Daar ben je zelf verantwoordelijk voor. En niemand kan die verantwoordelijkheid van je overnemen. Dat is helemaal jouw verantwoordelijkheid.
Maar wat is dan die olie? Waaruit bestaat onze verantwoordelijkheid? Volgens mij heeft dat te maken met onze houding in het leven. Onze geloofshouding. Twee woorden schieten me dan te binnen. Het ene woord is dankbaarheid, het andere is inzet. Dankbaarheid en inzet.
Eerst de dankbaarheid. Je kunt natuurlijk zeggen dat dat een gevoel is. Je vóélt je dankbaar. Of je voelt je níét dankbaar. En dan zou je natuurlijk kunnen zeggen dat dat gevoel van dankbaarheid iets is dat je overkomt. Je kunt er niets aan doen of je je al dan niet dankbaar voelt. Maar daar gaat het niet over. We hadden het toch juist over eigen verantwoordelijkheid? En daarom gaat het niet over een gevoel van dankbaarheid, maar over een houding van dankbaarheid. Paulus zegt ergens: “Dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat hij van u, die één bent met Christus Jezus, verlangt.” Maar hoe leer je dankbaar te zijn?
Een paar jaar geleden moest ik voor mijn studie een bezoekje afleggen bij een aantal mensen. En een van die mensen zal ik nooit vergeten. Het was een man van een jaar of zestig die in een verzorgingshuis woonde. Ik kwam bij zijn kamer in het verzorgingshuis aan, en ik zag dat zijn deur openstond. Ik keek in een heel klein halletje met nog twee andere deuren. Een van die deuren stond ook open en ik nam aan dat daarachter de wc was. Ik stond even te twijfelen wat ik nu moest doen, en ik wilde net gaan aanbellen toen ik vanuit de wc een stem hoorde roepen: “Zuster, zuster!” Wat nu te doen? Ik dacht nog: over zo’n situatie vertellen ze je tijdens de studie natuurlijk weer helemaal niets. Toen ben ik toch maar op zoek gegaan naar een zuster.
Even later zaten we in zijn huiskamer te praten. De man was halfzijdig verlamd. Zijn mond stond scheef en er liep een straaltje kwijl uit zijn mondhoek. Hij was heel moeilijk te verstaan, maar stukje bij beetje vertelde hij toch zijn levensverhaal. En dat was niet mooi. Hij was vroeger getrouwd geweest en hij had twee kinderen. Maar op een gegeven moment, het is bijna een klassiek verhaal, ging hij er met zijn secretaresse vandoor. Dat pikte zijn vrouw natuurlijk niet, en er volgde een scheiding. En die scheiding was nét rond toen hij een hersenbloeding kreeg. De secretaresse dacht vervolgens: ik zoek wel een andere baas - en ging ervandoor. Er zat niets anders op dan dat hij naar een verzorgingshuis ging, want hij kon niet meer zelfstandig wonen. Zijn kinderen wilden door wat hij hun moeder had aangedaan niets meer van hem weten. En verder had hij ook niemand meer.
Ik vond het een heel triest verhaal. Want uiteindelijk was het zijn eigen schuld dat hij in dat verzorgingshuis zat. Aan die hersenbloeding kon hij natuurlijk niets doen, maar hij had er zelf voor gezorgd dat zijn vrouw en kinderen niets meer met hem te maken wilden hebben. Maar toen zei hij iets wat me op dat moment vreemd in de oren klonk. Hij zei: “En toch ben ik een dankbaar mens. Ik heb mijn vrouw en kinderen verlaten. Daar ben ik schuldig aan. Maar ik weet dat mijn schuld me vergeven is door Jezus. En daarom ben ik dankbaar. Dankbaar ook dat ik nog leef.”
Dát bedoel ik met een houding van dankbaarheid. Die man had alle reden om zich niet dankbaar te voelen, maar toch wás hij dankbaar. Van zo’n man kan ík nog een hoop leren. En u misschien ook wel. Nog een ander voorbeeld: van onze gezamenlijke houding van dankbaarheid. Het is vandaag oogstdienst. Maar misschien voelen we ons wel helemaal niet zo dankbaar voor de oogst - vinden we het vanzelfsprekend dat er ieder jaar geoogst wordt, of staan we er helemaal niet bij stil. Een paar mensen hebben het toch op zich genomen om voor ons allen als symbool van onze dankbaarheid een uitstalling te maken van de oogst. Er hangt een kaart van de wereld en er staan allerlei voorbeelden van producten uit de gehele wereld. Tina zal er straks nog wat meer over vertellen. Ook dat is een uiting van een houding van dankbaarheid. Laten zien dat je dankbaar bént! En omdat je dankbaar bent, kun je ook anderen laten delen in jouw dankbaarheid. Bijvoorbeeld door het brengen van een azalea naar de oudere mensen van onze gemeente.
Maar dankbaarheid is niet het hele verhaal. Er zit meer in de olie dan alleen dankbaarheid, ik zei het al. Er moet ook inzet zijn. En inzet bestaat uit dromen en daden. Dromen. Ach, wie droomt er niet van een wereld waarop de mensen met respect met elkaar omgaan? Wie droomt er niet van een wereld waarop gerechtigheid en vrede heerst? Wie droomt er niet van een wereld waarop er geen mensen zijn die honger hebben? Nu zou je natuurlijk kunnen zeggen dat dat geen realistische dromen zijn. Maar waarom zou je je dromen laten verstoren door de realiteit?
Vroeger gingen mijn vrouw en ik regelmatig met een groepje verstandelijk gehandicapten naar de kerk. Het werden echte vrienden van ons. Een van hen was Gert, een man van een jaar of vijftig. Gert kwam geregeld bij ons op de koffie. En dan vroeg hij aan mij: “Erikje,” want hij noemde mij altijd Erikje, “Erikje, weet je wat ik later als ik groot ben wil worden?” “Nou..., Gertje,” zei ik dan. “Ik wil later kraanmachinist worden!”
Verstandelijk gehandicapt en toch zeer wijs. Want hij wist natuurlijk best dat hij nooit kraanmachinist zou worden. Maar toch gaf hij zijn droom niet op. Zijn droom was voor hem een stuwende kracht waarmee hij verder kon gaan in zijn leven. Hij gaf zijn droom niet op, ook al was het geen realistische droom. Ook van Gert kunnen we leren. Leren dat we nooit onze dromen op moeten geven. Leren dat dromen een stuwende kracht in ons leven zijn.
Maar dromen alleen zijn niet genoeg. Die dromen moeten worden omgezet in daden. Want anders blijft het alleen luchtfietserij. Soms kunnen niet zo veel bijdragen aan een betere wereld. Dan blijft het bij een girootje uitschrijven voor de slachtoffers van de aardbeving in Pakistan en omstreken. Maar we kunnen vaak meer doen dan we denken - zeker voor de mensen in onze eigen omgeving. Maar als we dromen van een betere wereld, moeten we dan niet ons steentje daaraan bijdragen?
Als wij als gelovigen dromen van het koninkrijk van God op aarde, als wij dromen van de gemeente van Jezus Christus, gewoon hier in Vriescheloo, als wij dromen dat het ooit beter zal worden, moeten wij dan niet alles doen om die droom uit te laten komen? Is dat niet mijn verantwoordelijkheid, is dat niet uw verantwoordelijkheid, is dat niet jouw verantwoordelijkheid?
Amen.